Het Jodendom
De spijswetten
De bron voor het Joodse geloof is de Torah, die gelijk is aan de vijf boeken van Moses. Het idee van de wetten binnen het Jodendom is het begin van de menselijke vrijheid, zodat de mens geen slaaf meer is van zijn eigen instincten. Morele discipline is hierom dan ook de basis voor de wetten. Voedsel, seks en aanwinst zijn de sterkste natuurlijke instincten van de mens. Het Jodendom controleert deze instincten met haar wetten, zodat de instincten een wettelijke vreugde worden (Vollmer, 1987). De spijswetten behandelen de wettelijk toegestane en de verboden producten. Wettelijk toegestane producten worden koshere producten genoemd. De spijswetten bestaan uit vier concepten en worden voornamelijk gebaseerd op het derde en het vijfde boek van Moses (Regenstein en Regenstein, 1979).
Het eerste concept van de spijswetten is planten. In de hof van Eden was de mens oorspronkelijk vegetariër (Genesis I:29). Al het plantaardig materiaal is daarom wettelijk toegestaan of kosher (Regenstein en Regenstein, 1979; Vollmer, 1987).
Het tweede concept is vlees en bloed. Bloed wordt gezien als teken van leven. Het is daarom ook streng verboden dit te nuttigen (Genesis IX:3-4). Onderdelen van dieren zijn daarentegen wel toegestaan, vanwege de behoefte van de mens aan vlees (Deuteronomium XII:20). Vlees dat wordt geconsumeerd moet afkomstig zijn van kosher geslachte dieren. De dieren mogen namelijk niet onder stress of aan een natuurlijke dood zijn gestorven (Regenstein en Regenstein, 1979; Vollmer, 1987).
Het derde concept is melk en vlees. Melk- en vleesproducten moeten altijd gescheiden worden. Dit staat niet zo duidelijk in de boeken van Moses als de andere wetten, maar in de loop van de tijd is deze wet zo geïnterpreteerd. Letterlijk staat in Exodus XXIII:19: "Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder". Later is deze wet zo ver doorgevoerd dat zelfs producten, die in contact zijn gekomen met melk, niet gemengd mogen worden met vlees. Dit geldt ook omgekeerd. (Regenstein en Regenstein, 1979; Vollmer, 1987).
Het vierde en laatste concept betreft koshere en niet koshere diersoorten. Dit concept is opgedeeld in drie onderdelen, namelijk vlees, gevogelte en vis.
Wat betreft vlees mogen alleen zoogdieren die herkauwen en een gespleten hoef hebben geconsumeerd worden (Leviticus XI:1-8) .
Vissen zijn toegestaan indien ze vinnen en schubben hebben, die makkelijk te verwijderen zijn. Alle andere vissen of schelpdieren zijn verboden (Leviticus XI:9-12).
Vogels zijn slechts geschikt voor consumptie indien ze geen roofvogel zijn. Bovendien mogen ze geen voorteen hebben, moeten ze een krop hebben en moeten ze hun voedsel in de lucht vangen en dit vervolgens naar de grond brengen om het hier kapot te scheuren en vervolgens op te eten (Leviticus XI:13-CAPut!') (Regenstein en Regenstein, 1979; Ockerman en Nxumalo, 1998).
Er is nog een wet die niet valt onder de spijswetten, maar die wel betrekking heeft op eten. Dit betreft de consumptie van druiven en het gebruik hiervan als grondstof voor wijn of andere alcoholische dranken. Het gehele productieproces van de wijn moet onder toeziend oog van een gelovige Jood gebeuren wil de wijn kosher zijn. Deze wet komt voort uit wetten, die oorspronkelijk zijn ontstaan om te voorkomen dat Joden en niet-Joden samen in het huwelijk zouden treden (Regenstein en Regenstein, 1979 en 1990).
Invloed op de levensmiddelentechnologie
Ingrediënten
Ingrediënten en additieven mogen alleen worden gebruikt als ze kosher zijn. Hieronder wordt van verschillende groepen ingrediënten aangegeven of en hoe ze gebruikt mogen worden.
-
Ingrediënten van plantaardige afkomst zijn altijd toegestaan evenals synthetisch geproduceerde ingrediënten en andere ingrediënten van niet-organische en chemische afkomst. Elementen als natrium of magnesium zijn hier een voorbeeld van (Regenstein en Regenstein, 1990; Lück, 1995).
-
Ingrediënten van dierlijke afkomst zijn alleen toegestaan als ze van koshere dieren afkomstig zijn. Een voorbeeld van een dier dat niet kosher is, is het varken. Een varken kan namelijk niet herkauwen. Gelatine uit een rund is daarom wel toegestaan, terwijl gelatine uit een varken verboden is (Vollmer, 1987; Lück, 1995).
-
Ingrediënten, die in contact zijn gekomen met melkproducten mogen niet gemengd worden met ingrediënten, die in contact zijn gekomen met vleesproducten. Joden vermijden bijvoorbeeld chocolade, omdat dit meestal geproduceerd wordt met dierlijk vet in combinatie met melk. Chocolade is alleen toegestaan als het uitsluitend met cacaovet wordt bereid (Vollmer, 1987; Lück, 1995).
-
Vlees, evenals andere dierlijke producten, mag geen bloed meer bevatten. Eieren kunnen soms bloedvlekken bevatten. Deze moeten tijdens de productie van bijvoorbeeld deegproducten stuk voor stuk worden geopend en worden gecontroleerd op bloedvlekken. Gebeurt dit niet, dan is het deegproduct niet kosher (Vollmer, 1987).
-
Ook onbedoelde ingrediënten moeten kosher zijn. Hiermee wordt bijvoorbeeld een besmetting bedoeld door parasieten of een extreme groei van bacteriën. Bacteriën geven hierbij geen problemen. Parasieten zijn echter niet toegestaan (Regenstein en Regenstein, 1990).
-
Tenslotte zijn wijn en andere producten uit druiven alleen toegestaan indien tijdens het hele productieproces een Jood erop heeft toegezien dat alles kosher is verlopen (Regenstein en Regenstein, 1990).
Processen
Verschillende processen binnen de levensmiddelentechnologie moeten kosher verlopen. Voorbeelden van deze processen zijn de slachting van dieren, gebruik en schoonmaak van apparatuur en de verpakking en transport van de eindproducten (Regenstein en Regenstein, 1979 en 1990).
-
Tijdens de slachting van dieren moet ervoor worden gezorgd, dat het vlees uiteindelijk geen bloed meer bevat. Het derde concept van de spijswetten gebiedt dit namelijk. Aan de hand van dit concept zijn binnen het Jodendom wetten opgesteld voor de slachting. Deze zullen hieronder worden besproken. De slachting moet ten eerste snel en humaan zijn. Het dier moet alert zijn tijdens de slachting en mag dan ook niet worden verdoofd (Regenstein en Regenstein, 1979; Lück, 1995). Ten tweede moet de slachting gedaan worden door een oplettende getrainde Jood. De slachting moet op een heilige en waardige manier plaatsvinden. Het dier wordt met een scherp mes door de hals gesneden, zodat zoveel mogelijk bloed uit het dier kan stromen (Regenstein en Regenstein, 1979; Lück, 1995). Het derde punt is namelijk het verwijderen van zoveel mogelijk bloed. Dit bloed wordt na de slachting bedekt met stof, zodat het niet meer geschikt is voor consumptie. Het vlees wordt vervolgens een half uur ondergedompeld in lauwwarm water. Dan wordt het met zout bedekt, wat het laatste bloed aan het vlees onttrekt. Tenslotte wordt het vlees afgespoeld met koud water (Regenstein en Regenstein, 1979; Lück, 1995).
-
De apparatuur die wordt gebruikt moet altijd kosher zijn. Nieuwe apparatuur is altijd kosher. Als de apparatuur al eens gebruikt is voor een niet kosher product, dan moet de apparatuur opnieuw kosher worden gemaakt. Dit is alleen mogelijk voor apparatuur van niet poreus of desorbeerbaar materiaal. Er zijn verschillende processen mogelijk, waarvan de meest gebruikelijke wordt besproken. Ten eerste mag de apparatuur 24 uur niet worden gebruikt. Daarna moet de apparatuur schoongemaakt worden met detergent en kokend water. Dit alles moet gebeuren onder toeziend oog van een Jood. Het gebruikte detergent moet ook kosher zijn. Dit betekent dat het geen zout mag bevatten dat uit dierlijke vetzuren afkomstig is (Regenstein en Regenstein, 1990).
-
Voor poreus materiaal als zacht plastic of rubber is altijd aparte apparatuur vereist. Dit materiaal is namelijk niet meer kosher te maken en mag dus nooit in contact komen met niet kosher materiaal. Ditzelfde geldt in principe ook voor houten apparatuur, hoewel dit in uiterste gevallen nog schoon te maken is met een denaturerende detergent en kokend water. Melk- en vleesproducten mogen niet op dezelfde lijn worden geproduceerd. De lijnen mogen zelfs op geen enkele manier met elkaar in contact komen. Neutrale producten die op een melklijn worden geproduceerd, worden vanzelf een melkproduct. Dit geldt ook voor de vleeslijn (Regenstein en Regenstein, 1990).
-
Na de productie moeten de producten goed worden verpakt, zodat ze niet in contact kunnen komen met de buitenwereld. Toch moeten ook de transportmiddelen kosher zijn. Van een transportvoertuig worden de laatste vier tot zes ladingen nagegaan en indien deze kosher waren is het voertuig geschikt voor transport. Als een van de ladingen niet kosher was, moet het voertuig eerst gereinigd worden. Dit gebeurt op eenzelfde manier als met fabrieksapparatuur. Eerst mag het voertuig 24 uur niet worden gebruikt en vervolgens wordt het met detergent en heet water schoongemaakt (Regenstein en Regenstein, 1990).
-
In fermentaties moet het hele systeem kosher zijn. Bij omzettingen door dieren en planten wordt alle ingaande voeding wordt omgezet in een product. Bacteriën echter worden, omdat ze onzichtbaar zijn, gezien als onderdeel van het product. Het eindproduct van een fermentatie is dus niet slechts het gewenste eindproduct. Alle stoffen, die in de fermentatie in contact komen met het eindproduct, moeten daarom kosher zijn (Chaudry en Regenstein, 1994).
-
Het gebruik van met biotechnologie geproduceerde enzymen wordt geaccepteerd binnen het jodendom. De hoeveelheid overgebracht materiaal mag echter niet te groot zijn. In testbuisjes wordt vaak gekeken of bij overdracht van materiaal geen verboden materiaal wordt overgebracht (Chaudry en Regenstein, 1994).
-
Het gebruik van transgene producten als voedsel kan problemen geven vanwege verboden mengsels van stoffen. Binnen het jodendom moet nog gekeken worden naar het eventuele voordeel van het gebruik van deze producten (Chaudry en Regenstein, 1994).
-
In de toekomst zal steeds meer gebruik worden gemaakt van ethisch gevoelige genen. Hieronder vallen genen die van mensen naar dieren worden overgebracht, genen die van verboden dieren naar toegestane dieren worden overgebracht en het gebruik van dierlijke genen in voedselgewassen. Binnen het jodendom wordt het gebruik van biotechnologie gezien als een uitbreiding van de macht om de natuur te gebruiken en dit wordt daarom toegestaan. Dit mag echter alleen om de gezondheid van mens en dier te verbeteren en niet uit commerciële oogpunten. Verder vinden Joden dat een overgedragen gen de identiteit aanneemt van het organisme, waar het in is gebracht. Het overdragen van een gen uit een niet kosher dier naar een kosher dier zou zo toch kosher zijn. Hoewel het Jodendom dus positief staat tegenover biotechnologie, wordt het toch aangeraden het gebruik van biotechnologie zoveel mogelijk te beperken (Aldridge, 1994).
Kijk voor meer info op het forum
Link naar het topic
